Al slurpend van mijn grote verse cappuccino, ik ben ook even weg…
Vang ik een komisch gesprek op tussen een man en een vrouw.
Zo sneaky mogelijk bekijk ik hen, als de meneer, toevallig buitenlands…
Tegen zijn chagrijnig ogende over de datum-achtige vrouw… zegt…
“Ja, hoeveel pannenkoeken heb jij nou gebakken in de afgelopen 26 jaar?”
Hij neemt de tijd om even uitgebreid te lachen.
Dan roept hij uit:
“Zes!”
Ik draai vliegensvlug ongemerkt aan mijn blikveld.
De vrouw zit er nog even uitgeblust bij.
De man komt inmiddels niet meer bij… “Zes!”
Ik vind het ook wel schrijnend voor hem.
Komt hij naar Nederland… voor pannenkoeken…
Want voor zijn vrouw hoefde hij het slechts te laten…
Gelukkig bezit hij een goed gevoel voor humor.
Mijn blik verplaatst zich naar achteren.
Daar zit een gezin, met in elk geval twee kinderen.
Een jongetje dat minder knap is, hij draagt ook een blauw brilletje…
En een knap bleek ouder meisje met de oogjes nog intact.
Helaas voor de vader identificeert hij zich meer met het lelijke jongetje
Dan met het knappe meisje.
Ook hij draagt een blauw brilletje.
Lijpe montuurtjes, daar niet van.
Ik kijk weer naar de buitenlandse man, die het zich nu goed laat smaken.
Hij kijkt om zich heen, alsof hij vluchten wil voor zijn huidige blikveld.
Onze blikken kruisen elkaar even. Ik hef mijn lege cappuccino kop.
Hij knipoogt en voelt zich meteen welkom, hier in het Hollandsche Hemmen.
Hij maakt door ons vlugge contact de vergissing zijn vrouw weer aan te kijken.
Ik hoor hem gelijk sissen:
“Zessss!”
Het knappe bleke meisje loopt op dat moment langs mij.
Ze kijkt me aan als ze me passeert.
Ik glimlach. Zij glimlacht terug.
Zou zomaar eens je kind kunnen zijn, bedenk ik me.
Ik zie de vader stuntelen met zijn blauwe brilletje.
Het meisje gaat even later terug naar haar plaats en loopt opnieuw langs mij.
Ze glimlacht ditmaal uit zichzelf.
Ik glimlach weer terug.
“Mam. Was er niet ooit iets mis met mijn zicht?”
“Nog niet. Hoezo?”
“Oh, gewoon”
Ik zie toe hoe de vader naar zijn dochter glimlacht.
Zijn kracht, bedenk ik me, zit hem in zijn lelijke blauwe bril.
Ondertussen gaat de buitenlandse man los met de poedersuiker.
Zijn vrouw is er niet vrolijker op geworden.
Ik bedenk me dat hij haar nu minder goed ziet, door al dat gestrooi en gestuif.
Misschien onderdrukt zij wel de behoefte om op de wc te gaan bellen.
“Snap je dat nu? Een buitenlander en wat wil hij? Pannenkoek!”
Ogenschijnlijk gebeurt er echter helemaal niets in haar lege hoofdje.
“Zullen we?”, zegt mijn moeder, die de soep nu al een tijdje op heeft.
Ik knik en sta op.
De buitenlandse man heeft zijn pannenkoek ook op.
“Kom moeke, we gaan”, hoor ik hem zeggen.
Mijn ogen gaan nog één keer naar het bleke meisje.
Zij glimlacht al naar mij vanaf haar tafeltje.
Ik glimlach nog één keer terug en ik zwaai.
Zij zwaait terug naar mij. Vader kijkt toe.
Eenmaal in de auto
“Zou een bril mij staan, denk je?”
“Een bril?”
“Ja, zo’n blauwe vierkante. Je weet nooit waar het goed voor is”
“Zag je die chagrijnige vrouw aan het tafeltje links van ons?”, zegt mijn moeder nu.
Ik schiet in de lach en bedenk me met de wijsheid van een buitenlandse man:
Het leven is als een stapel pannenkoeken. Zes is altijd te weinig!

Ontdek meer van Remi Cornelissen
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
