“Ik kom niet namens mezelf. Ik kom in vrede”, zegt een stem vanuit het donker.
Ik sta op mijn sloffen in mijn deuropening en realiseer me dat het zojuist nog regende, maar dat het met de komst van de stem inmiddels weer droog geworden is.
De persoon achter de schim kan ik niet ontdekken, wel zie ik twee zwarte laarzen met zilveren gespen, met op haar jas een groot lichtgevend logo van het Leger des Heils en mompel “Zo, maken ze die tegenwoordig glow in the dark…”
De schim zegt niets, maar zucht een keer. Ik wil mijn deur weer in het slot duwen, totdat…
“Remi, ze vroegen me of ik geen manke in de familie had…”
Ik schrik op. De schim doet een stap naar voren, staat nu in het licht.
Ogenblikken verstrijken, terwijl wij elkaar aankijken.
“Tante Lia! Wel heb je ooit! Kom gauw binnen!”, zeg ik, enigszins ongemakkelijk.
“Gelukkig”, zucht ze, “Hoef ik niet weer die hele straat terug…”
Ik knik en vraag haar bezorgd of ze het goed heeft kunnen vinden.
“Moet je luisteren, ik ben met mijn scootmobiel…”. Ze wijst willekeurig naar buiten.
“Die heeft navigatie. Desondanks was het echt een klere-eind”
Ondertussen doet ze haar jas, haar harnas van het Leger des Heils uit.
Ik pak het zo goed als ik kan aan. Aan de voorkant ontdek ik een opgespeld fotootje van een maar al te vrolijke Andries Knevel met de tekst Ik ben altijd vriendelijk! U ook?? . Ik bekijk het en huiver.
“Mag ik verder komen?”, vraagt tante Lia, die zonder harnas en laarzen echt wel in formaat geslonken is. “Natuurlijk!”, zeg ik en doe de deur voor haar open.
Als ze eenmaal heeft plaatsgenomen op de bank in mijn woonkamer en aan de warme chocomel zit, vraag ik haar wat de reden is van haar bezoek. Terwijl ze smult van de rijkelijk toegevoegde slagroom, wordt haar gezicht plots bittere ernst.
“Remi, jij weet als geen ander… Het leven is niet altijd feest”, begint ze.
“Dat feestje moet je zelf maken. Ik weet helaas net als jij hoe het is om eenzaam te zijn.
En toen dacht ik aan jou, en aan mijn scootmobiel… Hij heet Prins Friso, een echt gevaar op de weg…”
Ondertussen zit de mond van tante Lia helemaal onder de chocomel.
“Geeft niet, maken we zo wel schoon. Ga verder”, zeg ik, om haar gerust te stellen.
Ze likt even met haar tong langs haar lippen, laat een klein boertje en zegt:
“Zullen we samen gaan toeren? Ik heb een zitje voor achterop, dat is voor jou bestemd.
Het hoeft niet ver, zoals je ziet is een enkele straat al een hele onderneming…”
Met een doekje maak ik ondertussen de chocolademond van tante Lia schoon.
Als ze klaar is, klap ik in mijn handen, terwijl ik uitroep “Wat een goed idee!”.
“Dan gaan we dat doen.
Een tripje met mijn neef, twee gelijkgestemden”, zegt ze opgelucht.
Alvorens we vertrekken, sluiten we, op aanraden van mijn tante Lia, een tank vol warme chocomel met slagroom op onze Prins Friso aan.
Zodra haar zilveren gespen weer blinken en ik de mobiel op mijn sloffen ben bestegen, kijken we nog een keer achterom en zien de straat die ons beiden verbindt achter ons vervagen, in het holst van de nacht.
Waarheen we gaan is niet duidelijk, we komen in elk geval thuis.

Ontdek meer van Remi Cornelissen
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
