Zoals zij laat op de avond verscheen
en ik haar vanuit mijn op slot staan
als al die anderen wilde laten passeren,
zo had ze iets leuks, iets echts, dat me
al die jaren bij is gebleven. Met haar
sprekende ogen groeide voelbaar mijn
belangstelling en met een subtiel lachje
schrijf ik je nu: dat was wederzijds.
Ze zou die avond goed voor me zorgen,
en ik vroeg zo tactisch mogelijk, terwijl
ze haar naam schreef, of zij de enige was.
Toen ze dit bevestigde, meende ik te zien
dat ze kort snapte waar ik heen wilde,
een voelbare vonk, met de seconden
groeiend tijdens dat ene gesprek.
Klaarblijkelijk was ook zij op de hoogte
van mijn gezondheid als ook mijn
ervaringsdeskundigheid. Ze vond
het heel knap dat ik dat deed. Waarmee
ze vooral opviel was met haar
empathie. Eenmaal de woorden
uitgesproken dat ik heel sterk was,
stond ze naast mijn bed, omhelsde me
innig en nam ze,
we hadden een kamer voor onszelf,
zijlings mijn hoofd in haar
handen. Zo stonden we zeker
tien hele minuten in elkaar
verstrengeld, zoals we die gehele
avond niet gestoord werden.
Ik voelde haar porseleinen
gezichtshuid meisjeszacht tegen het mijne,
terwijl haar woorden ontglipten
en ze me bijzonder veel moed insprak.
Strelend door haar mooie haar, zei ik
zacht: “Je bent… Ik vind je heel lief,”
zij haar gezicht nog dichter tegen het
mijne drukte en ik mijn vingers
voorzichtig over haar wang liet gaan.
Haar bezoekje leek lang te duren,
wat werkelijk zo was, het was
slechts de tijd die ons later
inhaalde, dat was bij ons afscheid.
Ik bedankte haar uitvoerig, zoals
zij mij bedankte en er geen hoera-
stemming was. Dat ik haar zou
missen, dat had ze goed aangevoeld.
“We komen elkaar vast nog tegen,”
schonk ze me een treurig lachje.
“In de stad of zo,” waarna ik haar
onderbrak. “Je zou me nooit groeten,”
zei ik voor het eerst tegen een
verpleegkundige, jonger dan ikzelf.
“Jawel! Zeker wel, of bij het uitgaan,”
bleef ze vol vertrouwen, zoals ze
inmiddels in de deurpost stond.
Het voelde alsof het plots sneeuwde,
zeer intens verdriet, voor ons beiden
voelbaar in de ruimte. Even kwam ze
terug, drukte opnieuw haar gezicht
nog strakker tegen het mijne.
Haar laatste zin: “Wij gaan elkaar
ooit zien. Houd je sterk, Remi,
jij kunt dit. Ik geloof in jou.
Ooit!”, riep ze luid, waarna zij zich
slechts met een laatste aanblik
van haar lieve gezichtje
noodgedwongen van me
losmaakte, resterend
het definitief geluid van haar
verwijderende voetstappen.
Haar positieve gedaante, jong en
toegewijd, was merkbaar verdwenen,
toen een kille kou mij onmiddellijk
overmande.
Ik hield me staande tot de nacht,
waarna ik blootvoets in het donker
opstond om de deur te sluiten, zocht
radeloos om me heen en pakte
twee stevige Radboud-kussens,
drukte mijn gezicht zo diep in beide,
liet mijn jankende klank
verstommen.
Dit voelde werkelijk als
het begin van het einde.
Van mijn leven, maar met
haar komst ook vooral
mijn liefdesleven.
Ik had overal vrede mee, tot ik
haar liefde en aanraking voelde.
Die hele nacht sliep ik niet, tot
de ochtenduren mij tot slapen
dwongen, mijn ontbijt vóór
ontwaken al was
geserveerd en de gezellige
Surinaamse vrouw van de
voeding weer extra goed voor mij
gezorgd had, met veel pakjes
honing voor in mijn hete thee.
Ik baalde dat ik haar niet
gezien had, mijn ronde sfeer-
maakster, tot ze minder dan
een uur later verscheen en
mijn theeglas dampend
volschonk, terwijl ze me
inspecteerde en mompelde:
“Meneertje wilde nacht gehad?”
Ze moest bij voorbaat al lachen,
toen ze mijn gezicht zag, en
deed vlug de deur achter ons dicht.
“Ze is zó leuk!”, riep ik uit.
Met haar hand op haar hart,
zei ze: “Ik is blij voor jou.
Ouwe snoeperd, jij. Maar jij
jong blaadje, jij jonge God.
Dan het mag!,” glimlachte ze,
met een spleetje tussen haar
tanden. “Zij heel, heel knap?
Ja, hè!”. Ze trok hierbij
haar wenkbrauw op. “Mama…,”
ze noemde daarna haar eigen naam,
“…ziet het aan jouw
rood gezicht als tomaat!
Nee,” voelde ze met haar
ogen gesloten en moederlijke handen
die zich boven mij bevonden,
“jouw mama voelt vuur,
jouw mama ziet raket…
Jij bent ontploffende raket!!!”,
waarna ze lachend een paar
stappen naar achter deed.
Zo proestten we het
werkelijk nog dagen uit, met
veel zoete honing en onze
gespreksstof, die stiekem
nog veel zoeter was.
Twee ware heldinnen van het Radboudumc!