Vliegen of vluchten

Een dag kwam het zover
dat ik 63 kilometer fietste.
Vóór vertrek, in de vroege
uren, haalde ik mijn
telefoon uit mijn zak, een
Motorola model koelkast,
schakelde deze uit, was
die dag op aarde
onvindbaar. Want was dat
niet wat ik wilde?

Na dat wat op mijn veertiende
had plaatsgevonden, bleek ik er
goed in mezelf te straffen.
Ik hoor je denken: daarvoor
hoef je niet te vluchten.
Je doet het in je kamer,
en in de kamer die je altijd
met je meezeult.
Jouw hoofd, jouw vijand.

Die dag was ik van niemand.
Wie me had kunnen zien,
zag met hoeveel spanning
en snelheid ik fietste.
Ben je vermist
als je niet meer
van iemand bent?

Wat maakte het uit.
Ik was op de vlucht.
Op de vlucht voor
dat wat al had
plaatsgevonden,
zich al als een inkt-
vlek aan mij
had voltrokken.

Inkt heeft de eigenschap
zich te verspreiden, zodra
je een druppel aanbrengt.
Die ene druppel, ogen-
schijnlijk onschuldig;
definitief.
Je doek kleurt
genadeloos blauw.
Eenmaal verzadigd, sta je
slechts voor één keuze.

Behoud je het blauw
waarin je je bevindt,
of ontdoe je je voor
een nieuw exemplaar,
onaangetast in zijn soort.

Die keuze leek ik niet
te hebben, zoals ik
niet moe was, terwijl
mijn benen mijn gevoel
vertaalden, trappers
die me bleven dragen,
desondanks me niet
tot vallen brachten;
ik was al gevallen.

Ik wist niet
waar ik uit zou komen,
in mijn hoofd niet en
in mijn leven niet.
Zestien was ik
inmiddels, post-
traumatische stress-
stoornis later
vastgesteld.

Vliegen lijkt ogen-
schijnlijk vrij
gemakkelijk, zoals je
je weg wel vindt.
Wordt je vlucht
onderbroken, moet je
je herpakken.

Dat kon ik niet,
toen niet, jaren niet.
De algehele schade te groot,
had ik die dag wel degelijk
een bestemming.
Ik was op reis naar een
twaalfjarige.

De kinderlijke
onschuld. Iemand die
haar veertiend levensjaar
nog mee moest maken,
onbevlekt, ongeroerd.
Iemand die tevens
niets wist van wat mij
overkomen was, mij
slechts op dat moment
zou bezien, beoordelen.

Nee. Het was geen toeval
dat ik voor haar koos.

Haar plaatsnaam Soest,
heb ik daadwerkelijk gezien,
het bord was tegen die tijd al
in het donkerste
blauw gehuld;
door dat algeheel blauw
kende ik mijn
plaats, als vanouds,
beantwoordde
de omstandigheid
wederom, met dat wat
ik op dat moment aan
mogelijkheden meende
te hebben:
door te vluchten.

Sukkel! Lafaard!

Het was na half tien
in de avond. Ik kwam
binnen bij een of ander
gehucht, groette de bar-
man en schoof al piepend
mijn kruk aan.
Daar heb ik een tijdje
gezeten, ogenschijnlijk
alleen, mijn onvermoeid
strenge geest met mij mee.

Hoewel ik, gedurende dat ik
daar was, de enige was,
bleek het ook daar niet stil.
Problemen neem je
met je mee.

“Ben je hier alleen?”
De barman besloot onze
stilte te doorbreken, mijn
alleen zijn te benadrukken.
Terwijl ik een slok nam
van mijn stoere koude
nog kinderlijke appelsap,
om me de volwassen
houding ‘Ik ben bezig’
aan te meten,
zei ik zo koel mogelijk:
“Ik word hier zo opgehaald.”

Hij gaf me een
knikje vol onbegrip.
Ik voelde zijn langdurige blik
branden in mijn binnenste.
Er kwam nog altijd
niemand naast mij zitten,
slechts een volledige
afspiegeling van
mijn situatie,
zo bedacht mijn geest
al grijnzend.

Met wat ongemak
haalde ik mijn
telefoon tevoorschijn,
schakelde deze
weer in.
Vele ongelezen
berichten
verschenen op
het lichtgevend
scherm.

Ik belde naar huis.
Ongerust als mijn
ouders waren, werd mijn
telefoontje onmiddellijk
beantwoord.

“Ik ben ergens.
Weet niet waar.
Kom je me halen?”

Delen:

Ontdek meer van Remi Cornelissen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.