Eind april afgelopen jaar zei ik tegen mijn moeder:
“Kom, we gaan naar Nijmegen”. En dat deden we.
Mijn angsten met lopen waren er even niet, het was niet langer van belang.
De zon scheen volop en, alsof ik er gisteren nog liep, rook de viskraam weer naar vis, met bovendien een gunstig terrasje en een wel héél herkenbaar kopje koffie:
“Nee, hè. Gaan we ergens zitten met dezelfde koffie als thuis!”.
We hebben gelachen, genoten en zijn langer weggeweest dan in jaren tijd.
Het was samen even als vanouds.
Dat maakte me gelukkig.
Ik film bijzonder graag.
Als een van ons jarig is, kun je er inmiddels na zoveel jaar zeker van zijn dat ik een maand eerder begonnen ben met het creëren van een film, die dan driekwartier duurt.
Begin maart heb ik een nieuwe geweldige camera aan kunnen schaffen, dankzij mijn vader. Sindsdien is alles wat ik zelf film volledig bruikbaar, ondanks de invloed van medicatie.
Een mooi gebaar van vader op zoon, dat ik nooit meer vergeet.
Ik was geraakt, dankbaar en bijzonder ontroerd.
Tot slot ben ik altijd bijzonder vereerd als mijn langere broerman, geheel onverwachts, bij mij op bezoek komt.
Eerst inspecteer ik hem verwonderd, zodra hij languit is gaan zitten op mijn bank:
“Kom je doen?”
“Chillen”
“Echt?”
“Uhhh… Ja-a?”, gevolgd door the classic puber look.
Dan prijs ik mezelf even héél gelukkig.
Helaas vergaat me alle pret, zodra hij wéér gewonnen heeft met Mario Kart.
De jaren waarin alles nog mogelijk was zijn al een tijd voorbij.
Desondanks geldt nog altijd, ondanks al mijn beperkingen:
Het loont nog steeds om extra moeite te doen.
Voor de dingen die mij nog altijd bijzonder gelukkig maken,
En waar ik zelf in wil blijven geloven.
Dat levert vaak niets op, maar als…
Dan voel ik mij even een ander mens.
Een mens met mogelijkheden.
