Het Wolkers-effect

Als kind las ik alles wat los en vastzat en ging graag naar de bieb.
Eenmaal door de kinder- en jeugdboeken heen, ging ik op ontdekkingstocht door de afdeling voor volwassenen, een plek die ik tot dan toe stiekem al eerder had bezocht, waarbij mijn ogen over de boeken vlogen.
Het moment was zover, daar was ik het zelf over eens. Met vijf boeken in mijn kleine handen liep ik voldaan naar de balie en legde ze op de toonbank, waar deze door de ogen van de bibliothecaresse werden gescand.
Waar dit normaliter een automatische handeling was, keek ze dit keer vol verbazing van boek naar mij en terug. “Hoe oud ben jij?”, vroeg ze me. “Twaalf”, zei ik.
“En jij wil de boeken van Jan Wolkers lezen?”. Ik knikte, waarna haar verbazing aanhield.
“Vinden je ouders dat wel goed?”. Ik bedacht me met een binnenpretje dat wij helemáál geen preuts gezin waren.
Eenmaal met mijn gedachten terug bij haar nog altijd verbaasde gezicht… dit versterkt door een bijna vallende leesbril aan een koordje en een blinkend kruisje in haar hals, schrapte ik meteen het idee om haar daar met voorbeelden iets over te zeggen.

Op mijn fiets moest ik de regen trotseren. Ik was kleddernat. Tot slot legde ik een vochtig briefje op de toonbank met daarop geschreven: Mijn zoon mag Jan Wolkers lezen, gevolgd door een handtekening van mijn moeder.
Zij was al net zo verbaasd geweest, maar dan over het communiceren via briefjes over de preutsheid ten aanzien van haar zoon en de boeken van Jan Wolkers.
Dit toestemmende briefje werd uiteraard gevolgd door een nóg veel grotere verbazing bij de bibliothecaresse en met haar meteen al haar vrouwelijke collega’s in de bieb!
Ik werd er ongemakkelijk van en was blij toen ik, met de vijf boeken, eindelijk weer in de regen stond.

Dit alles viel van mijn jonge schouders toen ik die avond in bed Jan Wolkers las, bladzijden aanrakend die al veel vaker waren aangeraakt… gezien de verhitte inhoud zelfs mogelijk aan elkaar plakkend, maar dat, zo vond ik, droeg slechts bij aan de intieme sfeer.
Het staat me nog bij dat ik las: Ik rook de zoete geur van haar aars.
Daar denk je dan als twaalfjarig jongetje wel even over na.
Al snel werd er niet meer slechts geroken, er werd ook gelikt.
Ik probeerde me dit toen te verbeelden. Helaas werd mijn erotische beeld bruut verstoord door een beeld van de oude witharige goedlachse Wolkers in zijn tuinkasje, die ik toch vooral kende van een vredelievend kinderprogramma op tv over parende insecten.
Meteen kreeg dit iets viezigs. Zo ook zijn rauwe stem, die plots veel meer erotiek bevatte dan ik me wenste. Het zojuist zintuigelijk beschrevene kon niet zonder slakjes, takjes en miertjes worden gezien en… Eerlijk gezegd was het omgekeerde nog veel erger:
ik hoopte hem niet meer in zijn broeiende hete kas aan te treffen, zodra ik mijn tv aandeed tijdens mijn welverdiende croissantje Nutella-ontbijt.

Gelikte geurende konten te midden van blije krioelende beestjes, zo bad ik die avond vurig, mochten mij worden bespaard.

Gaf mij maar puur de natuur! Plots heerlijk, al die onschuldige kleine diertjes.

Ik kon me als jongetje in elk geval goed voorstellen dat hij, ten tijde van zijn schrijven, in een zeer gelukkige toestand had verkeerd – een die ik toen soms al voorzichtig met hem deelde.
Ik sloeg het boek ten slotte dicht. Sindsdien is alle seks vanzelf tot mij gekomen.

Wie weet, schrijf ik ooit zelf nog eens iets over konten.
Maar dan wel: zonder tong in de rondte!

Delen:

Ontdek meer van Remi Cornelissen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

One thought

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.