
Toen ik nog voor de klas stond als ervaringsdeskundige,
werden er door de studenten interessante vragen gesteld.
Eén vraag was bij mij favoriet en is dat door de jaren heen
altijd geweest. Hij is mij vaker gesteld, en ik heb altijd
soortgelijke antwoorden gegeven. Als kind al heb ik het
een relevante vraag gevonden, knap dat iemand van
buitenaf dat kon bedenken, zich inleven, want anders
kom je niet tot deze vraag. Hij luidt:
Moet iemand anders ook ziek zijn en even beperkt als
degene die hij of zij voor zich heeft, om die persoon te
kunnen begrijpen en zich in te kunnen leven, de ander
van dienst te kunnen zijn?
Als kind al moest ik glimlachen bij deze vraag.
Ik zat nog op de basisschool toen hij mij voor het eerst
bereikte. Het is een heel boeddhistische vraag, een heel
mooie vraag.
Ik was toen omringd door normale kinderen, in een
klas, waarbij ik tot het laatst de enige uitzondering vormde.
De mate van begrip was immens, en mooi was het proces
van dingen die nieuw voor ze waren, maar vrijwel
meteen werden geaccepteerd, als je er open over was.
Dat mes sneed dan meermaals aan twee kanten.
Ik leerde ook, net zo goed, zoals zij mij het gevoel gaven
dat ik er, in de normale wereld, mocht zijn. Dat vormde
mijn sterke basis, tot op heden. Iets van toen is me dus
nog altijd van nut, en zoals ik weet dat de ander het in zich
heeft mij toe te laten en te accepteren, zo heb ik daardoor ook
mezelf geaccepteerd.
Mijn antwoord als kind was dan ook:
Nee, je hoeft niet hetzelfde te zijn en hetzelfde te hebben
meegemaakt om je in te kunnen leven in iemand die ziek
is, dingen anders doet en dingen heeft meegemaakt waar je
zelf geen weet van hebt. Zolang je er als persoon zelf open
over bent, opent dat vrijwel altijd de juiste deuren en zul je
elkaar vinden.
Ik zal het toen anders verwoord hebben, maar wat ik vervolgens
wel deed, was trots noemen hoe ik me gesteund voelde door
mijn klasgenoten, rijkelijk met voorbeelden, waaruit hun steun
en liefde bleek. In mijn verhaal ontbrak nooit de gymzaal, zoals
ik daar voor mijn doen bijzondere overwinningen behaalde,
onder hun altijd even betrokken aanmoediging. Ze snapten
als geen ander, zelfs zonder daarover te spreken, dat die
overwinningen mij meer moeite kostten en meer betekenis
hadden. Dat vonden zij ook, van nature, daarin heb ik ze
namelijk nooit gestuurd en dat heb ik altijd zo wonderlijk
gevonden, dat het me bij is gebleven als een warme deken.
Zo stond ik dus jaren later voor de klas, terwijl de student
mij dezelfde vraag stelde, die mij een glimlach der herkenning
bezorgde.
Ik gaf niet gelijk antwoord, dacht even na, dat zei ik ook, over
of mijn antwoord nog wel hetzelfde was. Gold mijn antwoord
nog wel, zo ziek en beperkt als ik inmiddels met de jaren
geworden was? Was het niet te rooskleurig geworden?
Ik weet niet meer hoe ik mijn antwoord aan haar uiteindelijk
geformuleerd heb. Ik had toen hoge koorts en moest eigenlijk
meteen naar het ziekenhuis. Wel weet ik dat het niet langer
eenduidig was.
Het biedt veel voordelen als je elkaar vanuit dezelfde of soort-
gelijke ervaringen begrijpt. Daar moet ik ook wel weer om lachen,
want mensen van buitenaf geloven dan automatisch dat je samen
over niets anders praat. Dat is juist niet het geval. Iets dat je samen
al weet, hoef je namelijk niet te bespreken; je weet het namelijk al.
Vervolgens schept dat ruimte voor o.a. luchtigheid, zelfspot en
humor, en vooral: heel andere dingen! Dat geldt zowel voor fysiek
als mentaal. De basis van herkenning biedt zoveel meer dan
samen blijven hangen ‘in hetzelfde putje’. Maar als het erop
aankomt en het slecht met (een van) beiden gaat, dan is er niets
fijner dan dat je niet een vreemde taal hoeft te spreken die jou niet
machtig is, zoals dat vaak het geval is tegenover mensen die niets
mankeren, of niet in jouw schoenen staan. Daar gaat veel energie in
zitten, en vaak betreft dat verloren energie, omdat het toch een brug
te ver blijkt te zijn, hoe goed bedoeld ook.
Mensen begrijpen nu eenmaal niet alles, dat is niet veroordelend
bedoeld, maar wel iets waar je met regelmaat, zelfs voortdurend
tegenaan loopt als het erop aankomt. En dat is vaak.
In tegenstelling tot mijn klas op de basisschool, ondervind je
wel degelijk hoe het niet passend is, de dingen waar jij tegen-
aan loopt in een wereld die vooral om andere dingen draait en
waar normaal de norm is.
De tijd gaat snel, er is geen plaats meer voor een moment van
begrip, in tegenstelling tot het in alle openheid delen van mijn
verhaal voor mijn klasgenootjes van toen.
Zelf loop ik aan tegen mijn zeer beperkte energie.
Dat bepaalt mijn dag, en dat elke dag opnieuw.
Altijd slecht zijn, nadat ik ook maar het minste of geringste
gedaan heb, en daar telkens lang van moeten herstellen,
een periode waarin ik vrijwel niets kan.
Eigenlijk kende ik niemand die in dezelfde schoenen stond.
Destijds kon ik maar vijf minuten per dag iets doen, wat
onvermijdelijk met zich meenam dat ik eenvoudigweg
de energie niet had om op zoek te gaan naar iemand,
iemand soortgelijks en hem of haar te leren kennen.
Nee, het was toen puur overleven. Hoewel mijn energie
sindsdien iets is toegenomen, zou je mij nog altijd als
altijd moe bestempelen, een zeer beperkte energie die
nog altijd mijn leven bepaalt.
Zonder op zoek te zijn sprak ik enkele jaren geleden
per toeval iemand online, zij vertelde, terwijl wij
elkaar eigenlijk spraken om iets heel anders, dat ook
zij in soortgelijke mate te kampen had met een alles-
bepalend gebrek aan energie, waarbij zij slechts een uur
per dag op kon zijn.
Vooral versteld stond ik, terwijl ik dat las.
Enerzijds mijn volle begrip, anderzijds de verwondering.
Betekende dit iets, dat ik na jaren eindelijk een gelijke
trof?
We hebben elkaar destijds een kaart gestuurd. Ik ontving er
een van haar toen ik ziek was, dat vond ik zo warm
dat ik haar er een terug heb gestuurd.
Helaas was er voor mij toen sprake van een bijkomstigheid.
Ik werd onzeker en de twijfel sloeg toe. Als je iemand treft
die voor het eerst met jou, op veel vlakken, overeenkomt,
ik was daar bijzonder zuinig op.
En dus wilde ik niet dat ze puur voor mij contact hield.
Was er iets waaruit dat bleek? Nee, maar toch.
Ik wilde haar met haar weinige energie niet tot last zijn.
Dit had als gevolg dat we elkaar nog wel online zien,
maar allang niet meer spreken.
Terwijl we beiden in hetzelfde schuitje zitten.
Ik vraag me met regelmaat af hoe het met haar gaat.
En als ik me slecht voel, noodgedwongen weer op de bank,
bedenk ik me dat ik iemand ken, ik hoef haar niet meer
te zoeken, en hoe fijn het zou zijn om niet meer alleen te zijn.
Ontdek meer van Remi Cornelissen
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Heel mooi geschreven Remi 👍🌹