
Foto: Singh Pallavi.
Maart, 2010
Wie de schaduwzijde van het leven kent,
is tevens bekend met de ongekende hoogtes.
Destijds geteisterd door een reeks depressies,
betwijfelde ik of ze ooit nog zouden stoppen.
Noem het kinderlijke onwetendheid;
vastbesloten mijn lasten te verliezen,
bevond ik mij in een bus naar Berlijn.
Indien je de dagen verwenst,
waarop je ten val kwam,
vraag jezelf dan eerst:
waar had ik dan nu gestaan?
Die bewuste dag zou zich afspelen
in het Pergamonmuseum.
Mijn camera van destijds
onophoudelijk dichtbij, trachtte ik
zoveel mogelijk vast te leggen
van dat wat mijn wederopstanding
was. Ik voelde me goed,
gesterkt door mijn hernieuwde
omgeving.
Groepjes mensen, door mijn lens
omkaderd – gevangen, zo leek het,
in het groot geheel, sterkten slechts
mijn behoefte om onder hen te zijn.
Jaren van eenzaamheid werden
voor mijn ogen teniet gedaan.
En zichtbaar knapte ik op,
toen ik aanspraak kreeg met
iemand uit zo’n groep.
Wie het gesprek startte;
dat weet ik niet meer.
Het was het gesprek, waarbij
je elkaar spontaan tegen het
lijf loopt.
Na de levendige begroeting,
vertelde ze me enthousiast
dat ze Italiaanse was,
zij twintig, ik achttien.
Ze vertelde me ook
waar ze woonde,
dat ze op groepsreis was
en dat ze het erg naar
haar zin had. Ik vertelde
haar dat ik een Italiaanse
ex had en vroeg haar
of ze haar woonplaats
kende. Dat ik ook maar
bewust een plaats op kon
noemen en affiniteit had
met Italië, leek ons gesprek
te doen groeien naar het
niveau van twee vrienden,
die elkaar al langer
leken te kennen.
Onze ontmoeting die zo even
plaats had gevonden, was wel zo
spontaan; mijn camera, die aan was
blijven staan, had ondertussen het
bewijsstuk ervan geleverd, het
bewuste bandje even zo vervuld
van het geluid van onze klanken,
als wij dat hadden ervaren.
Met een glimlach bedankte
ik haar, terwijl ik zei:
“Thank you very much!”
Waarop ik me nog heel goed
weet te herinneren dat zij
stralend afsloot met:
“No, thank YOU!”
Heeft zij ooit
haar naam genoemd?
Ja, ze heeft me
verteld hoe ze heette.
De vergetelheid der
dingen knaagt vele
jaren later nog altijd
aan me. Wist ik slechts
haar naam nog,
dan had me dat zowel
rust als veel
voldoening verschaft.
Het klein geluk dat
schuilde in deze
toevallige ontmoeting,
in ons gesprek, waarbij
sprake was van een
wederzijdse klik…
…duurde te kort.
Later die dag bevond ik
me in een theater, zo
donker als de nacht,
het middernachtsblauw
voor mijn ogen zichtbaar,
mannen die zich de Blue
Man Group noemden.
Plotseling voelde ik
me helemaal niet goed
worden. De rij stoelen
achter mij, daar meende
ik haar te horen. Met een
stem die alleen van haar
kon zijn, riep ze me
herhaaldelijk:
“Remi, are you okay?”
Hoewel ik haar niet kon
zien, voelde ik haar ogen.
Ze had ook haar groep
ingelicht, al even bezorgd.
Verschrikt zocht ik zekerheid.
Ik sprak de conciërge aan,
die naast mij zat:
“Hoor jij dat ook?”
Hij ontdeed zich
met zijn ontkennende
antwoord van elk spoor
van houvast dat ik meende
te hebben.
Ik stond op,
zei hem dat ik me
niet goed voelde,
en meteen werd mijn
vertrek opgemerkt door
een draaiende camera
die in verbinding stond
met het scherm dat voor
eenieder in de zaal
zichtbaar was.
Er was een verblindende
spot op mij gericht.
Ik werd ook benoemd,
was ongewild onderdeel
van hun blauwe show.
Eenmaal buiten de zaal
had ik fysiek pijn, werd ik opgevangen
door mensen van de brandweer,
en kwam er uiteindelijk een
ambulance.
Dat uiteindelijke moment
duurde lang genoeg voor de
mensen om de zaal te verlaten.
Ze liepen met velen langs mij,
verwonderd over dat wat
gaande was.
Terwijl ik de ambulance in ging,
was dat te midden van een
groep jongeren die op eigen
wijze hun medeleven uitten.
Ik zwaaide naar hen.
Naarmate de uren vorderden,
tekende de nacht zich zwarter
af, tl-balken die mij even zo
klinisch verlichtten als
de bewuste spot in de
theaterzaal.
Contact was er met
mijn arts in Nederland,
ik heb hem zelf nog
gesproken, waarna er
volgens zijn beleid
gehandeld is en ik
het ziekenhuis in
Berlijn kon verlaten.
Een taxi bracht mijn
lerares en ik, in het
holst van de nacht
weer bij mijn
hotelkamer, waarna
ik niet ben gaan slapen.
De vluchtigheid van een
bijzonder moment heeft
nog nooit iets afgedaan
aan de waarde ervan.
Bij thuiskomst bleek ik ook
in een psychose beland te zijn.
Ik vond de opgenomen beelden
achteraf zo verschrikkelijk,
herinnerend aan toen,
dat ik ze bewust heb overspoeld.
Hoewel het niet haar stem was
in die meedogenloze theaterzaal,
was zij het die me troost bood.
Het wissen van de beelden,
heeft niet onze ontmoeting
uitgewist.
Mijn lerares,
haar heb ik achteraf meteen
verteld van ons gesprek.
Haar naam zal ik echter
nooit weten; daar heb ik
vrede mee.