
Hij zorgde weer voor mij, zoals er vooraf
bij de Spoedeisende Hulp altijd bij mij een
kleine hoerastemming is, zodra mijn bed
weer door mijn twee vertrouwde gezichten
naar de afdeling vervoerd wordt.
Een man en een vrouw, beiden steengoed.
“Ben je er weer, Remi? Kom je ons helaas
weer verblijden?”, zei de jonge vrouw licht
plagend, terwijl ze met een zeker gemak
aan mijn bed trok, dat geen andere keus
leek te hebben dan haar maar te
gehoorzamen.
“Arme jongen, ik heb met je te doen,” zei
de man, terwijl we in de lift stonden.
“Geen zorgen, wij zullen weer zo goed
mogelijk voor jou zorgen,” zei hij zichtbaar
aangedaan.
Hij betrad gedurende een van die dagen
mijn eenpersoonskamer, een kamer alleen.
“Hoe gaat het met je?”, keek hij me dermate
bezorgd aan, dat ik ervan schrok.
Ik gaf hem een flauw lachje, naar mijn idee
niet anders dan anders, waarop hij versneld
de thermometer uit de muur trok en ik
automatisch mijn linkeroor vrijmaakte,
waarna de bekende piep volgde en deze
aangaf dat ik heel hoge koorts had.
Even meende ik te signaleren dat hij niet
wist wat hij moest doen, hij kon zijn blinde
paniek ditmaal niet verbergen. Als een
blije boeddha bleef ik hem aankijken.
“Vind je het goed als ik…”
“Ja,” zei ik zacht.
Daarop liep hij zo snel als hij kon terug
mijn sluis in, de ruimte vóór je mijn
eenpersoonskamer binnenkwam,
zoals altijd een isolatiekamer.
Vanuit het raam in de deur, dat een
minimale inkijk bood op wat er op dat
moment in de sluis gebeurde,
zag ik dat hij zich ontdeed van zijn
extra bescherming.
Zijn pak en transparante plastic schort
werden in minimale tijd af gedaan,
zoals hij als een ander mens mijn
kamer opnieuw betrad.
Toen hij weer voor me stond, werd hij
bij het zien van mijn doen en laten
klaarblijkelijk herinnerd aan de ernst
van de situatie, iets wat duidelijk van
zijn gezicht was af te lezen.
Zijn handen bevonden zich boven mijn
voor hem ontblote arm, waarop hij
besloot als laatste ook zich van zijn
handschoenen te ontdoen.
Hij keek me nogmaals aan of ik dit
goed vond.
Ik knikte vriendelijk.
“Wat jij nodig hebt, is een
menselijke aanpak,
zo vaak ziek als jij bent,
zo’n lieve jongen,” zei hij zacht,
maar resoluut.
Zijn hand raakte mijn arm aan, op
een lieve manier, zoals hij alles lief
deed.
Daarbij kreeg hij meer dan de
bevestiging:
“Je hebt het zweet nat op je hele
arm staan, moet eigenlijk gekoeld
worden.”
“Het gaat wel, hoor,” zei ik.
“Je houdt je groot, maar het gaat
niet.
Je hebt heel hoge koorts en je bent
doodziek.”
Zijn hand lag nog altijd op mijn arm,
waarna hij me even streelde.
Ik zal nooit vergeten dat hij me met
een serieuze tred aankeek in mijn
gezicht en zei:
“Niet doodgaan, hè,” waarna hij me
eveneens streelde over mijn wang.
“Ik zou niet durven. Dat is niet de
bedoeling,” zei ik zo opgewekt
mogelijk, waarbij ik in mijn gezicht
blijk gaf zijn liefde te hebben ontvangen.
“Goed zo, want dat moeten we niet
hebben,” zei hij nerveus met een klein
lachje.
Ik noemde zijn naam en hij keek me
aan. Ik zei: “Weet je dat ik altijd van
tevoren hoop dat ik jou krijg, dat jij
weer voor mij zorgt? Je vindt
zelf van niet, dat weet ik. Maar ik vind
jou de beste. Het ontbreekt me aan niets,
en dat is altijd het geval,
zo zorgzaam en lief als jij bent.
Bij jou ben ik in goede handen.
Je bent een schat,”
waarna ik mijn arm even op de zijne
legde.
“Anderen zijn ook goed,” zei hij,
terwijl hij met een duidelijke kleur
omlaag keek.
“Maar dankjewel, ik mag jou ook
erg graag”, vervolgde hij de stilte.
Ik glimlachte, waarna hij hetzelfde deed.
De uren daarna waren gevuld met veel
momenten, waarbij hij bleef kijken hoe
het mij verging en het mij weer aan niets
ontbrak, zoals hij een andere keer zei dat
hij het zich goed kon voorstellen
om altijd ziek te zijn, sinds hij voor mij
zorgde.
“We kennen elkaar al een heel tijdje.
Wat heb jij een pech, zo’n sterke
lieve jongen.”
En altijd was de emotie van zijn gezicht
af te lezen.
Een verpleegkundige van goud,
die je niet snel nog eens treft.
Bovenstaande schreef ik maanden geleden,
op basis van herinneringen zo sterk.
Jarenlang is hij mijn vaste verpleger
geweest. Ons weerzien in het heden, slechts
enkele dagen oud, raakte ons beiden. Terug te zijn
op mijn vertrouwde afdeling, een warm welkom,
na maar liefst vier jaar, voelde, ondanks de wisseling
van mensen die onvermijdelijk had plaatsgevonden,
vertrouwd. Te meer toen hij zijn zachte
gezicht weer liet zien en binnen kwam lopen.
“Ik hoopte al dat je hier nog zou werken!”, riep ik.
Vast meubilair, net als jij, maakte hij me duidelijk.
Een andere dag stond hij al springend in de deur-
opening, “Hoi Remi!”, om slechts zijn aanwezigheid
kenbaar te maken, zoals hij boven een groepje mensen
uit kwam.
De lieverd. Echt een lieverd.
Wordt alles weer zoals het was?
Is dit het begin van het einde?
De meest schadelijke, dodelijke bacterie
die ik jaren gehad heb, weer in mijn systeem.
Met nog maar één middel per infuus,
hetzelfde middel. Voor hoelang.
Niemand kan die vragen beantwoorden.
Dat vind ik niet erg. Je hoeft niet alles te weten.
Eerder heb ik het overleefd.
En wanneer niet, dan is dat ook oké.
Heb vertrouwen.
Ontdek meer van Remi Cornelissen
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Shit Remi. Hou vol, kom er weer bovenop kerel. Veel beterschap voor jou en sterkte liefs Jan
Hey nozem wens je veel beterschap en hou vol