
2008
De deur viel in het slot,
nadat ik kort aan het
handvat getrokken had,
waarna deze automatisch
vergrendeld werd, toen de
zwart glanzende Mercedes,
geheel voorzien van het ronde
zilveren logo, dat zich in stijl
op de motorkap had bevonden,
eenmaal startte.
“Hoe gaat het, mijn jongen?”
Ik had hem aangekeken, maar
na die vraag keek ik weg,
door het raam naar buiten,
naar een wereld die niet
langer van mij had geleken.
“Je ziet er slecht uit.
Frankie ziet alles.
Gaat alles wel goed?”
drong hij aan.
“Kan beter,” besloot ik
te zeggen, zoals hij
kort mijn blik ving.
Hij knikte.
“Kan beter,” herhaalde
hij mompelend, terwijl
zijn hand reikte naar
een sigaret, het rood-witte
pakje dat kennelijk al die tijd
tussen ons in had gestaan,
en dat ons spoedig zou
verbinden.
Het ontstoken vuur
van zijn aansteker
verlichtte onze
situatie, waarna hij
me vroeg:
“Jij ook?”
Slechts één tel twijfel,
al snel gevolgd
door: “Graag.”
De taxi was vervolgens
in rook gehuld geweest,
iets waarbij ik me
prettig had gevoeld,
zoals wij nog wel naar
de wereld keken, de
wereld daarbuiten,
maar zij ons niet langer
konden aanschouwen;
de schijn van anonimiteit
die ik voelde, was aangenaam
geweest.
Mysterieus keek hij me aan,
hij leek zichtbaar te genieten,
waarna hij met een voorstel kwam.
“Als jij drie sigaretten tegelijk
zo snel mogelijk op kunt roken,
krijg jij van mij het hele pakje.”
Hij reikte mij het pakje aan.
“Zoals je kunt zien, zijn er slechts
een paar uit.”
Het waren er inderdaad veel
geweest, genoeg om blij van te worden.
“Deal,” zei ik, zoals ik het pakje
aan hem teruggaf en hij mij een
even zo mysterieuze glimlach schonk.
Onder het rijden koos hij drie
willekeurige sigaretten uit,
reikte mij ze aan,
waarna ik me tot hem
wendde en ontstak ze
voor me.
Ik heb me weleens
afgevraagd wat je nou
daadwerkelijk van ons
had kunnen zien,
als koude buitenstaander
van een schouwspel
dat het zicht niet langer
verdiende.
“Goed inhaleren,
laat het maar goed over
je longen gaan.”
Ik gaf hem een nijdige blik,
de blik die zowel vroeg
om sigaretten, zoals ik ze
nodig meende te hebben,
als die van het bewustzijn
van alles wat niet
klopte.
Tussen mijn vingers
bevonden zich spoedig
slechts de restverschijnselen
van peuken die dat woord,
die benaming, niet meer hadden
mogen dragen.
Hij applaudisseerde.
“Sneller dan verwacht!”
Ik kreeg het pakje
in mijn handen gedrukt,
terwijl ik hem door de
prikkende rook aan bleef
staren, als in:
Heb je nog meer?
Toen hij dat doorkreeg,
had zijn bulderende
lach de auto gevuld.
“Je krijgt nu eerst dit,
over een maand krijg je meer.”
Ik sloeg mijn ogen neer.
“Dat is ongeveer één sigaret
per dag. Frankie begrijpt dat
Remi daar zijn problemen
niet mee oplost.
Ik ben echt zielsongelukkig,
en ik dacht dat jij dat
begreep,” beet ik hem toe.
Vervolgens kreeg ik ook
een heel pak shag mee.
Ik stond buiten,
zwaaide kort, waarna ik
in de richting van de
school verdween
en onze wegen
zich scheidden.
Onze overeenkomst,
had slechts een autorit
geduurd.
Op het plein
werd ik vrijwel meteen
onderschept,
door een jongen die
Andrew heette.
“Heb jij sigaretten?”
“Nee. Vorige week
was mijn laatste,
dat was met jou,” zei ik.
“Oké, man.
Ik heb iets nieuws, man.”
Hij sloeg zijn arm om
mijn schouder.
“Roken via je traanbuisjes.
Zo vet. Werkt echt.”
Ik keek hem kort in het gezicht,
zijn ogen waren rood doorlopen.
Ik was niet onder de indruk,
er werden me twee halve
peuken aangereikt.
“Ik dacht dat je geen
sigaretten meer had,” zei ik.
“Ze zijn niet van mij, man.
Ik heb een schuld.”
Ik knikte, nam ze aan,
rookte ze via mijn
traanbuisjes – als dat al
bestond.
“Zie je, gebeurt niks.”
“Jij bent echt vet, man.
Jij doet dat ook gewoon.
Jij bent een echte vri….”
Ik ontdeed me van zijn grip.
Met oortjes in, luide muziek
en een attitude, ontvluchtte ik hem,
liep het schoolgebouw binnen,
tot ik in het klaslokaal plaatsnam.
De muziek stopte,
de oortjes gingen uit,
en nu maar de dag verdragen,
iets wat ik erg moeilijk vond.
Een meisje begon opgewekt een verhaal.
“Ik heb vannacht echt zo mooi
gedroomd! Ik droomde dat ik
plaste, het was echt heerlijk…
echt plassen, weet je wel!”
Ze ving heel bewust mijn blik.
Ik kreeg de slappe lach.
“…Nee, echt! Heb jij dat dan nooit?
Ik plaste in een grote gouden badkuip.”
Ofwel waren het mijn traanbuisjes
en had Andrew gelijk gehad,
maar ik was in elk geval
blij geweest met haar zeer spontaan
verhaal dat afleiding had geboden.
Bij thuiskomst sprak ze me diezelfde
dag nog aan via MSN. Ik wist dat ze rookte,
dus ik zei:
“Ik ga even buiten roken.”
“Rook jij ook??? :)” vroeg ze nog,
helemaal blij.
En dan is het vervolgens,
met de smeulende peuk in je hand,
de kunst haar niet te verbinden
met het beeld, al plassend in een
gouden badkuip.
Elke keer als zij mij groette,
en dat deed ze geregeld,
zag ik het even voor mij.
Niet aan denken, niet aan denken!
Gelukkig had ik voorlopig nog genoeg
peuken om ook dat weer door te komen!
Met dank aan Frankie,
Andrew en het plassende meisje
in de gouden badkuip.
Jee.
Wat was dat toen
een rare wereld!
Geen wonder
dat het geluk
pas veel later kwam.
Echt veel later!
Ontdek meer van Remi Cornelissen
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
