
Tegenwoordig vind ik aansluiting bij een kring mensen.
Ze zijn ouder, maar op een bepaalde manier heel hip en
scherp, met de tijd meegegaan en welbespraakt. Wat er
vrij uniek aan is, is dat het zo maatschappelijk is.
Zo neemt iemand bijvoorbeeld een stuk uit de krant mee,
en ons gesprek start als vanzelf. Waarom ik dat vervolgens
vrij uniek noem, komt voort uit hoe ik mijn leven leid.
Ik ben niet geheel afgestompt, maar het nieuws dat rond-
gaat, bezie en verwerk ik alleen, zoals een echt maatschap-
pelijk gesprek nooit zijn doorgang vindt. Het is zeker niet
zo dat het me niets doet, maar je aanschouwt het slechts;
voelt je geen deelgenoot, vanuit een kamer waarvan de
muren nooit veranderen.
Voorheen ging ik nog naar school, was een jaar of achttien
en spendeerde mijn tijd standaard met één en dezelfde
docent. Dan sloten we ons als enigen op in een lokaal,
hij nuttigde in mijn bijzijn zijn kop koffie, waarbij ik me
soms nerveus heb afgevraagd of hij me nooit eens zat
werd. Toch leek dat niet het geval, en daar houd ik me
dan maar, nog steeds, aan vast.
Zonder dat vertrouwen, niet deze tekst.
Hij is altijd aardig voor me geweest,
vroeg elke dag opnieuw naar mijn thuissituatie
en kon daarnaast als een meester vertellen,
zoals hij heer en meester was over meerdere vakken
en dat op zo’n manier aan me over wist te brengen
dat het me raakte en zelfs fascineerde.
Zijn verhalen gingen dikwijls met vragen gepaard:
“Wat vind jij daar nou van, Remi?”
En ik, maatschappelijk als ik niet was,
heb me daar nooit oncomfortabel bij gevoeld,
zoals mijn antwoorden hem zinden en mij dat
geruststelde, waarna ons gesprek ontstond…
Ik weet natuurlijk niet of hij mij echt aardig vond,
in de zin van een vriendschap, die zich weliswaar
slechts op school concentreerde.
Maar dat heb ik nooit erg gevonden,
zoals de band die ik met hem voelde,
geheel op zichzelf had gestaan en niets anders
nodig had dan de veiligheid die hij mij bood,
terwijl hij zijn pauzes aan mij besteedde.
Vervolgens ging ik uiteindelijk van school
en ik moet echt zeggen… dat ik hem gemist heb.
Zijn verhalen betreffende diverse onderwerpen,
waardoor iets voor mij ging leven en
ik me actief deelgenoot heb gevoeld
vanuit mijn eigen persoon, hoe bescheiden
mijn bijdrage ook was.
Dus toen ik me recentelijk aansloot,
bij de mensen die samen even zo
bruisend konden vertellen als bediscussiëren,
moest ik aan hem denken en aan hoe zeer ik
dat gemist had; heel even zag ik hem weer
voor me en dat had me goed gedaan.
De neiging heb ik zelfs even gevoeld hem dat,
vanuit mijn enthousiasme, te laten weten.
Tot ik besloot dat dat niet nodig was
en hij mij in gedachten tegemoet trad,
waarna hij glimlachend zei dat hij trots op me is.
Toen was het goed, zoals hij voor mij
in gedachten voortleeft middels inmiddels
zoveel waardevolle verworven anderen.
Aan hem opgedragen.