Verwaaien in de Wind

Elk eerlijk verhaal kent zijn duistere bladzijde.

Foto: de bushalte in Peymeinade, Côte-d’Azur, Zuid-Frankrijk

De wind blijft onstuimig. Toch is het heet en schijnt de zon.
Zweet, in kleine druppels, glinstert op mijn buik.
Haar bruine handjes omklemmen mijn huid. Haar hoofdje rust op mijn borst.
Ze kijkt even op en bestudeert met haar vingertjes mijn gezicht.
“Stom”, zegt ze ten slotte, terwijl ze met haar haar speelt.
“Wat vind je stom?”, vraag ik haar.
“Ik wil ook groot zijn”, kijkt ze me teleurgesteld aan.
“Maar je bent toch al heel groot?”, zeg ik.
“Ja, maar ik ben verliefd op jou”. Ze geeft me een kus.
“Ben jij ook verliefd op mij?”, vraagt ze me.
“Ja. Heel verliefd zelfs!”, zeg ik.
“Hoeveel?”, vraagt ze met een glimlach.
Ik kietel haar en zeg: “Zoveel!”
“Dat is veel, ja!”, giechelt ze.

“Doe je ogen eens dicht en je mond open?”
“Wat ga je doen?!”, zeg ik met mijn ogen dicht.
“Ik wil je tanden zien”, zegt ze, waarna ik mijn mond open doe.
Ze raakt ze even aan en zegt: “Je tanden zijn goed! En nu je tong laten zien”
Ik steek mijn tong een beetje uit.
“Verder, verder, verder!”, zegt ze lachend.
“Ik steek nu mijn vingers op. Zie je iets?”
“Je hebt er nog maar negen? Nee, ik zie helemaal niets!”
“Dan is het goed”, zegt ze. “Ik ga even iets doen, hoor!”
“Kan ik mijn ogen weer opendoen?”, vraag ik even later.
“Nog niet! Ik moet nog éééven iets doen”
“Duurt wel lang, hoor!”, zeg ik lachend.

Een paar minuten later probeert ze met haar vingers mijn mond open te doen en zegt:
“Nee, mond óóópen!”
Tot slot zegt ze: “Je mag nu weer kijken. Doe je ogen maar open!”
Soms is de waarheid te onwaarschijnlijk om op papier te zetten…
Ik doe ze weer open, zie nog net een heel enthousiaste Maartje en voel hoe ze mij vol op mijn mond zoent. Met haar tong raakt ze mijn tong aan, ik weet niet voor hoe lang.
Ze kijkt me daarna werkelijk stralend aan en zegt:
“Vind je het lekker? Ik wel! Wij hebben nu gezoend als een echte prins en prinses!”

Heel even kijk ik om me heen en bekijk de bushalte en het bankje waar wij op zitten.
Op straat is geen bus, geen Français te bekennen.
Ik richt mijn aandacht weer op het zesjarige meisje dat bij mij op schoot zit.
Ze kijkt me verliefd in mijn ogen, giechelt en vraagt: “Nou? Vind je het lekker?”
“Ja, hééérlijk, jouw kleine tong in mijn mond!”, grap ik en kijk haar lachend terug in haar ogen.
“Ik proefde echt vers prinsessenspuug met een vleugje Bastognekoek!”
Ze moet om me lachen. “Die heb ik thuis op!”, kijkt ze me scheel in mijn ogen.
“We kunnen nog een keertje? Dan zoen jij mij. Dat mag wel, hoor!”, zegt ze verlegen.
“Deze prinses krijgt nu de kieteldood!”, roep ik.
Ik kietel haar. Haar aanstekelijke schaterlach is goed te horen.
Ze legt tot slot haar hoofdje weer voldaan op mijn borst.

Ik pak mijn iPod, geef haar een oortje en samen luisteren we naar Blowin’ in the Wind.
“Zeg, prinsesje Maartje Apenstaartje”, wiebel ik haar al kietelend wakker op mijn schoot.
“Niet stoppen!”, zegt ze glimlachend, terwijl ze haar veel te grote zonnebril opzet.
“Je hebt je Barbie thuisgelaten”, zeg ik.
“Ja, ze mocht nu niet mee”, zei ze. “Ik heb jou gezoend en nu ben ik groot”
“Maar je moet me toch even vertellen: hoe wist je hoe het moet?”
Ze draait zich weer met haar gezicht naar mij toe en zegt trots:
“Heb ik van Marlous geleerd. Niet deze vakantie, maar de andere vakantie, toen zij er ook was”
“Onze Marlous die met verstoppertje altijd in een kast verstopt zit en die daar nu maar voor altijd moet blijven?”. Ze giechelt en zegt: “Ja, die, ja!”

Plots bevinden we ons in een zeer plaatselijke wervelwind.
“Ben jij helemaal gek geworden?!”. Ik kijk op naar mijn razende vader.
“Hoe bedoel je? Je hebt heel erg gek en je hebt minder gek”, zeg ik puberaal, nadat ik ben opgestaan met Maartje dicht tegen mij aan, die nu extra stevig mijn hand vastpakt.
“Dat weet je wel”, zegt hij. “Nou, eigenlijk niet, nee. Heb je iets gezien?”
“Ik heb genoeg gezien”, antwoordt hij, terwijl hij de zweetdruppels van zijn voorhoofd veegt.
“Ze zit liggend bij je op schoot, zoon!”
Ik ben gerustgesteld, lach gemoedelijk en zeg: “Ze is nog maar zes, pap. Zo is Maartje”
“En jij bent zestien. Je ziet het zelf niet eens meer!”, buldert hij.
Hardhandig pakt hij mijn arm en roept: “Meekomen, nu”
Goed beschouwd lopen we nu met zijn drieën aan elkaar geketend, als one big happy family:
het handje van een inmiddels bange Maartje in mijn ene hand en mijn boze vader aan mijn andere arm.
“Loop naar huis, ik kom zo. Maartje, ga naar huis toe”, riep hij.
Maartje liet mijn hand echter niet los. “Ga maar”, zeg ik tegen haar.
Ze wil niet en klampt zich vast aan mijn middel.
“We zien elkaar straks wel weer. Ga maar mooi tekenen”, zeg ik tot slot.
Ze twijfelt even en holt uiteindelijk terug naar huis.

Mijn vader moest worden gekoeld en was met de auto een eind gaan rijden.
Ik kom verslagen, op mijn weg naar huis, toevallig de moeder van Maartje tegen.
Ze zegt me enthousiast gedag, terwijl ze haar zonnebril af doet: “Ha Remi!”
Ik heb mijn zonnebril op en moet haar wel passeren, waarop ze me staande houdt.
“Maartje is echt wel heel gek op jou, hoor. Ze wil met ons nergens meer mee naar toe!
Bedankt dat je dit voor ons wil doen. Je doet het heel goed.
Ze praat ook constant over je, er komt geen eind aan met die kwebbelende prinses!”
Ik probeer naar haar te glimlachen en zeg: “Leuk om te horen”
Ze bekijkt me even en zegt: “Wat is er, jongen?”
In een splitsecond overweeg ik het haar wel of niet te vertellen.
Uiteindelijk maak ik de juiste keuze.
“Oh, maar dat wat je vader zegt: dat doet Maartje wel vaker.
Op, af, ze zit graag op schoot. Vooral als ze iemand mag.
Dan is ze niet meer weg te slaan. Ze is helemaal gek van jou!
Dus als ze vervelend wordt geef je haar maar een flinke por.
Maak je dus alsjeblieft geen zorgen”, gevolgd door een schouderklopje.

Mocht Maartje straks iets zeggen over een zoen: ik was het niet en zal het nooit meer doen!

Ik besluit het ongelukje te verzwijgen.
Ik ben gerustgesteld, het was niet erg en het is goed zo.

Geluk kwam toen niet aanwaaien. Pas jaren later ging de wind weer liggen.
En zoals de wind woei, nam hij de waarheid met zich mee.

“Wat een adembenemend verhaal, Remi. Dankjewel!”, keek mijn vriendin Arina mij aan.
“Dus nu weet je het”, zei ik enigszins opgelucht.
“Ja, nu weet ik het ware verhaal achter een verborgen video van een zesjarig prinsesje dat Maartje heet. Ik ben blij dat ik de video nu wel heb mogen bekijken! Wat is ze schattig!”
“Remi, ik weet dat je haar nooit iets aan zou doen”, zei ze daarna.
“Bovendien: toen ík zes was ging ik ook het liefst bij alle mannen op schoot!”
Ze stak uitgebreid haar tong naar mij uit.
We lachten, waarna ze zei:
“Al zoende ik ze toen nog niet.
Nee, dat kwam geloof ik een halfjaar later pas”
Ik schaterde, zij ook. Vervolgens zei ze:
“Ik kijk bijzonder uit naar onze ontmoeting.
Ik hoop alleen wel beter te zoenen dan jouw meisje van zes…”
Ik haalde diep adem en zei ten slotte pestend:
“Kan niet, sorry. Zij en onze zoen, dat was absoluut uniek om te doen”

Even bekeek ze me aandachtig, dacht na en besloot te zeggen:

“I envy your darkness, Remi
It suits you, like a stylish coat
That makes you whole and good-looking
Please, share with me
The dark pages of your life
I hope to read them all, someday”

De duistere kant van een verhaal is ook mooi.
Narigheden verwaaien in de wind.

Blowin’ in the Wind, Bob Dylan
Een cover van Carson McKee en Kami Maltz

Lees ook mijn gerelateerde verhalen:
Prinsessen en Bastognekoeken
Meisje met dorst
Kids

Delen:

Ontdek meer van Remi Cornelissen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

One thought

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.