
Zodra ik door het centrum van ons dorp
liep, voelde ik het als mijn lot dat dat een
ware kwelling voor me was. Daarin was
ik hard voor mezelf, door er met niemand
over te spreken, iets wat ik dus ook nooit
gedaan heb, in combinatie met mezelf
streng voor dezelfde situaties gooien.
Was dat geheel eerlijk, achteraf gezien?
Nee, dat was het niet. Pas in 2022 heb ik
hierover gesproken, vele jaren verder,
en ontving ik de erkenning die ik niet wist
die toen al bestond.
Ik wilde naar de kapper, iemand die mij
nog niet kende, zoals ik me voorgenomen
had daar spontaan binnen te lopen, terwijl
ik stiekem de neiging had van tevoren te
bellen met de boodschap: “Ik kom eraan.”
Maar gezien het ongelukkig feit dat bellen
destijds ook een probleem vormde(!), leek
het me toch beter om daar binnen te lopen,
en bovendien ook weer snel daar weg te zijn,
mocht het niks worden.
Al deze stappen gingen actief rond in mijn
hoofd, zoals het met alles zo ging. Alles.
Het was dus nooit leuk een nieuwe uitdaging
aan te gaan, vooral zonder die erkenning.
Want wat belette me?! Waar zeur je over?
Ik was destijds niet in het bezit van een
therapeut, maar… Geen nood, geen nood!
Ik was mijn eigen zeer strenge therapeut!
Gedurende jaren heb ik het mezelf
bemoeilijkt.
En waar ging het nou eigenlijk om?
Je zult lachen als je het verneemt.
Als je mijn eigen straat uit liep,
hoefde je slechts naar rechts te gaan,
de straat van Blokker in.
De kapper waar ik heen wilde
bevond zich daar tegenover,
zelfs nog vóór je überhaupt
kon spreken van tegenover
Blokker!
Dat was vanuit mijn huis,
zo had ik dwangmatig opgezocht
op Google Maps, een minimale afstand,
daarmee een nog grotere kwelling.
Wat stom! Wat stom! Wat stom!
Toen ik met lood in mijn schoenen,
mijn huis verliet, lieten mijn benen
meermaals hun afkeur merken.
Ze stopten met lopen, toen ik
op mijn weg vreemde jongens
tegenkwam, hangjongeren,
en ik ze niet meer in beweging kreeg.
Wat ik toen gedaan heb, is dat bewuste
blokje rondgelopen, om in beweging
te blijven, niet in de richting van
de kapper, zodat de motor niet af zou
slaan. Daarvoor moesten mijn benen
eerst, terwijl ze uit alle macht weerstand
boden, in de achteruit. Ik was in paniek,
namelijk werkelijk bevroren,
Wat is dit nou! en nog
voelde ik niet de behoefte dit ooit met
iemand te delen.
Waar ik me zeer bewust van was,
was dat ik op hetzelfde punt uit zou komen,
namelijk: bij hen, zoals zij zich ongetwijfeld
bewust zouden worden van het feit dat ik
maar liefst twee keer bij hen uit kwam,
en ze bovendien zeer zeker mijn ware
gevecht met mezelf zouden moeten
hebben gezien.
Dat moet wel! Dat kan niet anders!
Enkele meters van de kapperszaak,
ik had het gehaald, sloeg de twijfel
verder toe.
Ik kan nu ook gewoon
het dorp in! Maar ze hebben me
al door het raam zien staren!
Ze hebben al gezwaaid!
Bovendien: het dorp is nog veel erger!
Uiteindelijk waren het ironisch
genoeg precies mijn benen, die mij
waarschijnlijk helemaal zat waren,
en mij in de kappersstoel drukten.
Ik werd verwelkomd door een
vriendelijke jonge vrouw. De zaak
kon onmogelijk van haar zijn,
bedacht ik me, gezien
de mannennaam een eigenaar
suggereerde, wiens aanwezigheid
ik niet kon ontdekken.
Ons praatje duurde al even,
iets waar ik dankbaar voor was,
bemerkte ik, zoals ik me gaande-
weg een beetje begon te ontspannen.
Een wonder! sprak mijn geest al cynisch
tot mij, in een laatste poging mij opnieuw
slecht te doen voelen. Ik keek naar mezelf
in de spiegel en glimlachte slechts,
zowel naar de kapster als naar mijn geest.
Op dat moment stapte een man
de zaak binnen. Hij was al wat ouder,
maar bezat een bepaalde jeugdigheid.
De manier waarop hij de jonge vrouw
groette, toonde mij dat ze elkaar al
langer kenden.
Toen hij mij zag, zei hij zoiets als:
“Wie hebben we hier?
Wat heb jij mooi haar!
Mag ik even aan je haar zitten?”
Hij bevoelde mijn haar.
“Maar ga je daar iets van afhalen…?
Dat moet je niet doen, hoor!
Dat zou echt zonde zijn!
Zulk mooi haar moet je koesteren!”
Het stelde me zo gerust,
dat ik naar deze kapper,
die ik ben gaan zien als
mijn eigen kapper,
terug ben blijven keren.
En hij telkens aan mijn haar zat,
terwijl hij hetzelfde zei.
Het werd voor mij een prettige
plek om te zijn, waar ik me
veilig voelde en dat overheerste,
zoals de weg ernaartoe nog altijd
een lijdensweg bleef, maar ik
dan wel zoet werd beloond,
een last die bij binnenkomst
meteen van mijn schouders
viel.
Helaas bestaat de zaak van
Ron Leijser nu al jaren niet meer.
Het heeft me destijds goed
gedaan, zonder dit naar ze
uit te spreken.
Mocht je dit lezen, Ron:
Hartelijk dank!
Ontdek meer van Remi Cornelissen
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
