Zing, vecht en bewonder!


Wellicht heb je het meegekregen:
Er komt een verfilming van het boek PAAZ
van Myrthe van der Meer.
De aandacht die dat zal krijgen als ook de
bewustwording; het valt te waarderen. Toch
heb ik er mijn vraagtekens bij, en hoop ik
dat ze dat zorgvuldig zullen aanpakken.
De mensen die daar geleefd hebben, en dit
nog altijd, zijn niet te vervangen. Zeker niet
met een film. Of het dus recht zal doen aan
ook hun gevoel? Hun oprechte pijn. De pijn
die niemand ziet of hoort, vanwege het nog
altijd heersend taboe…

Dit is
Zing, vecht en bewonder!
Autobiografisch, hopende dat dat er recht
aan doet.
Aan de waarheid.

Toen ik plaatsnam in de klinisch
ogende doucheruimte, nadat ik
van de verpleging het één en
ander verkregen had –
overigens niet zonder
onmiddellijk de rekening te
ontvangen, de vrij harde
woorden die me duidelijk
maakten dat ik nu geheel
op kosten van het Radboud
leefde, probeerde ik één
te worden met de warme
waterstraal die op me neer
kletterde, en het allemaal
even te vergeten. Mijn haar
eenmaal nat, was ik zoekende
en werd me algauw bewust van
de aanwezigheid van het enige
dat zich verder naast mij in die
ruimte bevond die nodig aan
vernieuwing toe was:
ik zag een shampoofles staan,
paars van kleur, en zonder
slechte bedoelingen meende
ik dat die, evenals de andere
douchespullen, op dat moment
voor mij bedoeld was.
Dus wat ik deed, ik verrijkte
mijn blonde haar met het
enige wat op dat moment
voor handen was, spoelde het
van me af en omarmde de
frisse geur die ik bij me droeg,
die stond voor schoonheid, op
een afdeling in de kelder waar
schoon toch amper te vinden was…

Me nog altijd bewust van de tijd,
zat ik kort daarna met meerderen
aan de eettafel die zich in de
gezamenlijke woonkamer bevond,
mijn haar nog vochtig, de geur
verspreidend waar ik me zojuist
mee had verrijkt.
Tegenover me zat een oudere
mevrouw. Ik zei haar vriendelijk
en beleefd gedag, schonk haar
daarbij een glimlach.
Die glimlach ontving ik echter
niet terug. Ziedend van woede gaf
ze me een dodelijke blik en,
eerlijk gezegd begreep ik in eerste
instantie niet goed waarom, schrok
nogal van haar vijandigheid, die
meteen gevoed werd door een
verpleegkundige.
Ik denk dat ik het toen begreep.
‘Jij! Jij hebt mijn shampoo gebruikt!
Vlegel! Rotjong!’
Goed beschouwd was het niet
mogelijk geweest deze mate van
boosheid te bereiken zonder de
verpleegkundige die dat had
aangewakkerd, de sadistische
blik in mijn richting die dat
bevestigde.
‘Sorry, mevrouw. Ik wist niet dat
dat uw shampoo was, ik dacht
dat deze van het Radboud was.’
Ze vloog me bijna aan vanaf
waar ze zat, terwijl ze snauwde:
‘Dat wist je best! Ik ken jouw soort!’
waarna haar gescheld in gemompel
veranderde en ik blij was dat ik dat
niet langer kon verstaan.
‘Ik vind het echt heel vervelend.
Het zal niet meer gebeuren.’
Ze bleek hier niet ontvankelijk
voor te zijn, haar blik die me
doorboorde als ook veroordeelde –
er zat voelbaar weinig verschil in,
terwijl ze haar tanden probeerde
te zetten in korstjes die niet mee
leken te geven, de toegenomen
nabijheid van haar gezicht, een
beeld dat ik sindsdien niet
vergeten ben, overeenkomstig met
een angstaanjagende scène uit
de film Jaws, waarbij ze me toch
vooral duidelijk wilde maken:
Jij bent er geweest.

Na minutenlang zo tegenover
elkaar gezeten te hebben…
‘Zal ik uw volgende boterham
smeren? Dan mag u zeggen wat
erop komt. Om het goed te maken,
want ik vind het oprecht heel
vervelend voor u.’
Ik gaf haar de glimlach van iemand
die het goed bedoelt.
‘Zeg maar je, hoor. Zo oud ben ik nog
niet,’ snauwde ze.
‘Dat bedoel ik ook niet,’ zei ik, terwijl ik
mijn kalmte bewaarde.
Toen maakte de bestaande emotie
in haar gezicht plaats voor iets heel
anders: die van sadisme.
‘Doet dat maar eens. Jij smeert mijn
boterham.’
Ik stond op, schoof mijn stoel aan
en kwam naast haar zitten,
de stoel al vrijgemaakt alsof het
scenario op voorhand zo
geschreven was, om slechts zo
te worden uitgevoerd.
‘Wat voor brood wilt u?
We hebben…, … en…’
Ze gaf me een cynisch lachje en zei:
‘Doe mij maar een sneetje
krentenbrood.’

Het brood eenmaal op haar bord,
pakte ik het mes dat ernaast lag
en begon het met boter te
besmeren. Ondanks haar duidelijke
instructies, bleef ik het besmeren
tot de laag boter wel zó dik was
dat deze rook naar corruptie.
Dit onder haar luid protest:
‘Wat dóe je nou! Dit ga ik echt niet
meer opeten, hoor!’
Uiteindelijk liet ik het mes los dat
kwaad had gewild, mijn gezicht
inmiddels dicht bij het hare en zei: 
‘Smakelijke voortzetting, mevrouw (…)!’

Later bevond ik me in dezelfde woonkamer,
die naast mij slechts drie anderen telde,
van wie één daarvan de mevrouw was,
waarmee ik deze aanvaring had gehad
die Lucy heette, de sfeer tussen ons
inmiddels gedoofd, als had deze
vijandigheid nog slechts deels bestaan.
De oudere man in ons midden, hij
heette Ad, bevond zich vrijwel naast
de tv die niet aan stond, hangend op
een comfortabele stoel, ogenschijnlijk zijn
tijd overpeinzend, het leven dat hem afgenomen
leek te zijn, zijn gezucht dit leek te bevestigen, 
de drie anderen, waaronder ik, die dit troosteloos 
beeld voortzetten, als hadden we geen
andere keus.

Ik zat aan de eettafel met een vrouw
tegenover me, zij heette Thiely. We
gunden elkaar af en toe een blik.
Uiteindelijk vroeg ze me:
‘Verveel jij je wel eens?
Ja, jij hebt makkelijk praten.
Jij bent nog jong en hebt nog een
heel leven voor je!’
Terwijl ze dit zei, hing ze over
de tafel, maar wel met het
behoud van een zekere scherpte,
die je slechts vindt in onderliggend verwijt.
In mijn blik schonk ik haar mijn
welgemeend begrip, terwijl ik zei:
‘Ik weet wat je bedoelt. Ik ga dood, Thiely.’

De drie mensen die dit ogenschijnlijk
slechts registreerden, kwamen plots
tot leven, vol afschuw en verontwaardiging.
‘Wat?! Nee?! Dat kun je niet menen! Wat gruwelijk.’
Thiely had ondertussen mijn hand gepakt en
bood haar welgemeende excuses aan, iets
wat ik als heel wonderlijk heb ervaren gezien
de afdeling waarop we verbleven.
Zelfs Lucy keek me met medeleven
in mijn ogen, bijna schuldbewust aangaande
de wrijving die we eerder hadden.
Ad was er stil van, met vochtige ogen,
verklaarde het leven als oneerlijk,
noemde me zo’n lieve jongen.

De arts die even later om het hoekje
keek, als zijnde onze gezamenlijk arts,
moet geen verschil hebben gemerkt
in de sfeer die we ogenschijnlijk intact hielden,
die van voelbare leegte en al zuchtend geen
gesprek. Toen hij even snel weer zo vertrokken
was als gekomen, vertrouwde Thiely mij toe
dat ze bang was voor de injectie.
Dat werd meteen door de anderen bijgestaan.
Het voelde als meedogenloos en mensonterend,
zowel Ad, Thiely als ook Lucy ongewild bestempeld
als vermeende slachtoffers van deze werkwijze,
als ook de manier waarop: zo gezegd niet minder dan 
meedogenloos, iets wat Thiely me perfect kon uitleggen 
met de tranen in haar ogen, in staat tot een echt 
onderbouwd gesprek.
De anderen die dit met zichtbare mentale pijn beaamden,
de stilte tussen ons die een andere betekenis
had gekregen.

Ik kwam op een idee.
De arts als ook zijn regime zouden
zo terugkomen, een plan waarvan onzeker was
of het zou slagen.
‘Kennen jullie Ramses Shaffy?’ vroeg ik hen.
Ze leken blij met een teken van leven
in hun hoofd, terwijl ze uitvoerig ja zeiden,
met de vurigheid die vereist was.
Thiely begon enthousiast te vertellen
dat ze bij een koor zat, en dat ze het
zo miste om te zingen, terwijl Lucy
een herinnering ophaalde aan waar
ze was toen ze één van zijn liedjes hoorde.
Een herinnering aan toen ze nog een jong
meisje was met een vriendje dat leuk
genoeg was om nu, in dit huidig moment,
opnieuw omarmd te worden. Dit te
herinneren lukte haar zelfs zó goed dat je
de rode blos op haar wangen geheel
opnieuw kon voelen.
Ook Ad was nu één en al oor, de drie
mensen geheel opnieuw tot leven
gewekt, een wereld van verschil!
Nadat ik naar hun mooie verhalen
had geluisterd, vroeg ik of ze dan
ook het lied
Zing-Vecht-Huil-Bid-Lach-Werk en Bewonder
nog kenden.

Met een zichtbare moeite die van hun
gezichten af te lezen was,
graafden zij in hun geheugen, terwijl
ze enige herkenning omarmden,
de klok die ondertussen doortikte,
waarna ik uiteindelijk genoodzaakt was
te zeggen dat het niet uitmaakte dat ze
het even niet meer wisten.
Totdat één van hen de eerste woorden
omarmde, aangevuld door de andere
twee, een zeer wonderlijk gezicht!
En binnen enkele minuten zongen zij
met z’n drieën vol strijdlust
het nummer
Zing-Vecht-Huil-Bid-Lach-Werk en Bewonder!
Ad die alleszeggende gebaren vol kracht maakte,
terwijl zij, zó luid als het maar kon, dit lied zongen
en daarmee een sterk teken van leven toonden,
‘Niet zonder ons!’ schreeuwend,
het uitzichtloos beeld van ze afschuddend,
als ware zij weer jong, daadkrachtig en onbezonnen.
De tranen sprongen toen werkelijk in mijn ogen.

Precies op dat moment klonken er voetstappen,
gehaaster dan ervoor. De arts aanschouwde
één en hetzelfde beeld, dat van de jonge Ad,
de jonge Thiely en de even zo jonge Lucy,
en riep: ‘Wat is dit!’, een blik die vrijwel
onmiddellijk op mij bleef rusten. Ik deed
enkele stappen naar voren, tot we samen
in de deuropening stonden, liet mijn hand
met de rits omlaag glijden, het wit van de
gestolen artsenjas ditmaal stralend
als teken van puurheid en onschuld,
terwijl ik hem aankeek en zei:
‘Ik doe wat jij doet – alleen dan veel beter.
Kijk naar ze. Zij zijn meer waard dan een
meedogenloze injectie.
Raak ze met geen vinger aan of je komt
aan mij.’
Ik liet mijn vingers zichtbaar langs
de stof van de artsenjas glijden, terwijl ik zei:
‘Tot morgen, Arnt. Ik zie je morgen graag
weer om 9 uur op mijn kantoor.’
Al fluitend passeerde ik hem, liep met een
gerust hart over de afdeling naar mijn kamer,
terwijl hij mij voelbaar nakeek, de
verpleegkundigen stil van de onverwachte macht
die een gestolen artsenjas met zich mee brengt.

Vanaf dat moment had ik een ereplaats aan
de eettafel, tussen Ad, Thiely en Lucy in.
En denk maar niet dat zij vergeten waren
wat er had plaatsgevonden. Het was zelfs
Lucy die zei dat ik een goed hart had.
Ik keek haar aan en zei:
‘Ik had iets met u goed te maken.’
Het was een wonder dat ze dat nog
wist: ‘Ach, dat. Dat stelde niks voor.
Even voelde ik weer dat ik leefde.
Even was ik weer jong, en daar
ben ik je dankbaar voor.’
Ze pakte mijn hand en zei
tot slot:
‘Lieve jongen, ik hoop van harte
dat jij nog heel lang leeft.’

Delen:

Ontdek meer van Remi Cornelissen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.